Ridder

 
 
Ridders: gewapende ruiters

Ridders zijn soldaten te paard. In de vroege middeleeuwen werden deze gewapende ruiters steeds belangrijker. Ze waren goed uitgerust met maliĆ«nkolders, helmen, schilden, pieken en zwaarden. Door de invoering van stijgbeugels zaten ze extra vast op hun strijdros. Alleen de rijke landheren konden zich deze dure wapenuitrusting veroorloven. De ridders genoten dan ook veel aanzien. De ridderlijke gedragscode benadrukte dat de ridders zich hoffelijk moesten gedragen, vooral tegenover vrouwen. In vredestijd organiseerden de ridders toernooien als ontspanning en oefening. Het steekspel werd er een populair onderdeel van. Het ging er allemaal erg feestelijk aan toe, ondanks het soms grote aantal dodelijke gewonden. 

Ridder in harnasOp het einde van de middeleeuwen droegen de ridders een volledig harnas, op maat gemaakt en dikwijls prachtig versierd volgens de laatste modetrends. De nadruk kwam steeds meer te liggen op de adellijke afkomst, terwijl de militaire betekenis van de ridders in belang afnam. Ook vandaag nog is "ridder" een adellijke titel.

Een schildknaap wordt tot ridder geslagenSchildknaap gezocht

De schildknaap was het hulpje van een ridder. Hij verzorgde de wapenuitrusting en het paard en volgde de ridder ook op het slagveld. Oorspronkelijk waren veel schildknapen nog gewone boerenzonen. Later werd hun taak overgenomen door adellijke jongeren die zo werden klaargestoomd voor het ridderschap. De jongens leerden hoe ze wapens moesten verzorgen en gebruiken, maar ook hoe ze zich hoffelijk en gepast moesten gedragen. Aan het einde van de opleiding kon de schildknaap tot ridder worden geslagen. Dit was een plechtige ceremonie: een hoge edelman gaf de geknielde schildknaap een tikje met een zwaard op de schouder en overhandigde hem het ridderzwaard en de riddersporen. Daarna volgde een groot feest. Maar niet alle schildknapen wilden ridder worden. Voor velen was dat een veel te dure zaak.

Ridders in actie

De ridders vochten 40 dagen per jaar in dienst van een graaf of een hertog en kregen hiervoor in ruil een stuk grond. Ze waren de elitetroepen van het leger. Toch kwamen de ridders al spoedig tegenover voetsoldaten te staan die hen konden verslaan. Denk bijvoorbeeld maar aan de Guldensporenslag: het ridderleger van de Franse koning werd in de pan gehakt door Vlaams voetvolk gewapend met goedendags. Ook speerdragers en boogschutters konden het de ridders erg moeilijk maken. Tegen kanonnen, die vanaf de 14e eeuw werden ingezet, konden de ridders al helemaal niets beginnen. De voetsoldaten of de infanterie werd stilaan het belangrijkste onderdeel van het leger. Vanaf de 17e eeuw moest het ridderleger helemaal plaatsmaken voor een beroepsleger. De machtige koningen in de 17e eeuw vonden beroepssoldaten immers veel betrouwbaarder. De adellijke ridders waren veel te vaak zelf uit op macht.



Zwaard  Kanon
terug naar de tijdslijn